Marius Flothuis

Marius Flothuis (1914-2001)
Nederlands componist, musicoloog en muziekcriticus 

Ondanks dat hij tegen de honderd werken componeerde en daarmee bijna ieder genre aandeed, heeft Marius Flothuis nooit een formele studie in compositie afgerond. Vanaf jonge leeftijd speelde hij piano, en zijn schepping van nieuwe muziek ging altijd hand in hand met zijn ontdekking van dit instrument. Zijn eerste creaties voltooide hij dan ook reeds in zijn middelbare schoolperiode. Flothuis’ verdere muzikale scholing en werkzaamheden betroffen vooral de muziekwetenschap. Hij schreef veelvuldig en publiceerde vele artikelen, recensies en boeken. Binnen zijn onderzoekswerkzaamheden toonde hij een bijzondere voorkeur voor Mozart. Zijn proefschrift behandelde Mozarts arrangementen van diens eigen werken en die van andere componisten, en zijn boek “Mozarts Pianoconcerten” verhandelt de ontwikkeling van de klassieke componist aan de hand van zijn pianoconcerten. Flothuis arrangeerde de Divertimenti voor piano en voltooide cadensen voor al Mozarts pianoconcerten waarvoor er nog geen geschreven was. Veel harpisten zullen bekend zijn met zijn cadensen voor Mozarts concert voor fluit en harp, stilistisch gezien mogelijk het meest gevoelige werk om een keuze voor te maken.

Flothuis’ aanstellingen gedurende de jaren gaven hem een centrale plaats binnen de twintigste-eeuwse Nederlandse muziekcultuur. Hij was vele jaren verbonden aan het beroemde Koninklijk Concertgebouworkest, aanvankelijk als assistent-artistiek leider, later als programmaredacteur en uiteindelijk als artistiek leider zelf. Daarnaast was hij werkzaam als muziekcriticus, bibliothecaris bij de Stichting Donemus, hoogleraar musicologie in Utrecht, en voorzitter van het Zentralinstitut für Mozart-Forschung in Salzburg. Het is verbazingwekkend om te bedenken dat hij naast al deze verantwoordelijkheden nog tijd vond om te componeren.

Flothuis’ favoriete genre was de kamermuziek, en ook verwerkte hij zang in veel van zijn composities. Ondanks de vele liederen die hij componeerde, met begeleiding van piano ofwel orkest, uitte zijn voorliefde voor zang zich wonderlijk genoeg nooit in een opera. Flothuis’ oeuvre omvat daarnaast veel weinig bekende werken voor harp in zowel solo- als kamermuziekbezetting. Voor degenen die Flothuis ontdekt hebben door Pour le tombeau d’Orphée kan het interessant zijn ook eens een blik te slaan op de rest van zijn composities voor harp:

  • Kleine suite voor twaalf harpen (1951)
  • Sonata da camera voor fluit en harp (1951), ontving de Northern California Harpists Association Prize.
  • Odysseus and Nausikaa madrigaal voor sopraan, alt, tenor, bariton en harp, op. 60 (1958-60)
  • Berceuse brève voor harp, op. 75, no.1 (1963)
  • Allegro vivace voor twee harpen, op. 75, no. 2 (1969)
  • Molto lento voor harp, op. 75, no. 3 (1975)
  • Allegro, con precisione voor harp, op. 75, no. 4 (1978)
  • Trois nocturnes voor cello en harp, op. 84 (1983-4)
  • Allegro fugato voor drie harpen, op. 75, no. 5 (1984/1994)
  • Six easy studies voor harp, op. 87 (1985-6)
  • Sonorités opposées voor harp, op. 75, no. 6 (1986)
  • Poeme voor harp en klein orkest, op. 96 (1993)
  • Rapsodie voor harp, op. 102 (1999)
  • Saraband voor mezzosopraan en harp, op. 103 (2001)

Het solowerk dat de kwartfinalisten van de Dutch Harp Competition ten gehore zullen brengen – Pour le tombeau d’Orphée ­­– is geschreven in 1950. Flothuis droeg het stuk op aan Phia Berghout, in Nederland één van de meest gevierde harpisten van haar generatie. Zij speelde met het Koninklijk Concertgebouworkest en werd later één van de oprichters van het Wereld Harpcongres. Binnen de Tombeau zien we veel van de stijlelementen die Flothuis karakteriseren. Boven alles stelde hij zijn zoektocht naar puurheid en schoonheid. Zijn belangrijkste muzikale invloeden waren Mozart, Debussy en Willem Pijper; een Nederlandse componist uit de generatie voor Flothuis. Net als de twee bovengenoemde componisten besteedde Flothuis veel aandacht aan vorm en de relatie tussen vorm en inhoud. In deze opzichten is zijn werk kernachtig en betuigt het van helderheid en evenwicht. Geïnspireerd door Pijpers kiemceltechniek stelde Flothuis zeer korte motieven samen, elk met een beperkt bereik en een minimum aan toonherhalingen, die hij elk aan eindeloze variaties onderwierp. Deze techniek is vanaf het begin van de Tombeau aanwezig. Flothuis’ melodieën – waarbij de Tombeau geen uitzondering vormt – ontwikkelen chromatisch met hele en halve toonsafstanden. Hij maakt gebruik van polyritmiek, polymeters en onregelmatige maatsoorten, die hij hier gebruikt als onverwachte middelen voor het creëren van variatie. Hoewel Flothuis zich bewust was van de postmodernistische bewegingen die muziek van tonaliteit wilden bevrijden, en in enkele werken met dodecafonie experimenteerde, zag hij er noodzaak in om binnen zijn muziek naar één of meerdere tonale centra te blijven bewegen.

Men zegt dat Marius Flothuis zowel privé als op zakelijk vlak met veel integriteit leefde. Ondanks de opschudding die de Tweede Wereldoorlog in West-Europa veroorzaakte hield hij vast aan zijn moraliteit en idealen, en bleef hij zoeken naar de waarheid. In
zoverre een ziel geopenbaard kan worden in muziek weerspiegelen Flothuis’ werken zijn bewonderenswaardige karakter. Een grotere erfenis zou niemand willen achterlaten.

Bronvermelding:
- Joyce Kiliaan, Marius Flothuis, Amsterdam: 1999
- Stichting Donemus, Catalogus van werken van Nederlandse componisten; 5: Marius Flothuis, Amsterdam 1950

Reacties zijn gesloten.